Casestudy: Enron
Aan het begin van 2001 leek de Enron Corporation, ’s werelds grootste energiebedrijf, onstuitbaar. De inspanningen van het bedrijf om wetgevers te overreden om de elektriciteitsmarkt te dereguleren slaagden van Californië tot New York. De banden van Enron met de regering Bush garandeerden dat hun mening in Washington werd gehoord. De verkopen, winsten en aandelen stegen tot ongekende hoogte.
— A. Berenson en R. A. Oppel Jr. The New York Times, 28 oktober 2001
Achtergrond
Enron werd opgericht in 1985 door de fusie van twee aardasondernemingen — Houston Natural Gas and InterNorth.
De aandelen van Enron stegen van het begin van de jaren 1990 tot het einde van 2000 met 554% procent. Het aandeel stond op USD83,13 en de beurswaarde overtrof USD60 miljard. Inkomsten van de onderneming waren USD101 miljard. Bovendien werd Enron vijf jaar lang uitgeroepen tot de meest innovatieve grote onderneming in het Most Admired Companies-onderzoek van Fortune, van 1996 tot 2000.
Fraude
Nu staat de periode van 9 september 1997 tot 2 december 2001 in de geschiedenis van securities class actions gegrift als de periode waarin de meest gecompliceerde en meest besproken effectenfraude ooit plaatsvond. Het geschatte verlies voor beleggers bedroeg USD25 miljard.
In het oorspronkelijke aardgasbedrijf van Enron was de boekhouding redelijk ongecompliceerd: in elke periode noteerde de onderneming de feitelijke kosten van het leveren van aardgas tegenover de feitelijk ontvangen inkomsten.
Als handelsonderneming gebruikte Enron echter het mark-to-market boekhoudsysteem: als een langetermijncontract eenmaal was getekend, werd het inkomen geschat als de huidige waarde van netto toekomstige cashflows, ook al was er in sommige gevallen ernstige twijfel aan de uitvoerbaarheid van deze contracten en hun bijkomende kosten.
Een voorbeeld: in juli 2000 ondertekende Enron een overeenkomst van 20 jaar met Blockbuster Video's om tegen het einde van dat jaar in meerdere steden in de VS video on-demand te introduceren. Enron zou de video's opslaan, encoderen en streamen via hun wereldwijde breedbandnetwerk. Er werden pilot-projecten opgezet om filmsnaar enkele tientallen appartementen te streamen vanuit servers opgesteld in de kelder. Op basis van deze pilot-projecten zette Enron door en noteerde geschatte winsten van meer dan USD110 miljoen van de deal met Blockbuster, ondanks ernstige twijfel over de vraag naar deze service.
Enron’s ondergang werd duidelijk na de ontdekking dat een aanzienlijk deel van de winst voortkwam uit gecompliceerde transacties met zogenaamde 'special purpose vehicles' (SPV's - vennootschappen die slechts voor een enkele transactie worden opgericht). Het resultaat van deze gecompliceerde transacties was dat Enron veel van de verliezen van de onderneming niet in de jaarverslagen hoefde te rapporteren.
Deze SPV's werden gebruikt om risico's van bepaalde activa te financieren of te beheren. SPVs zijn technisch gezien 'lege' ondernemingen gecreëerd door een sponsor, maar gefinancierd door vermogensbeleggers en schuldfinanciering. Voor financiële boekhouddoeleinden wordt een aantal regels gebruikt om te bepalen of een SPV als entiteit gescheiden is van de sponsor. Tegen 2001 had Enron in totaal honderden van deze SPV's, waaronder Chewco Investments LP, Joint Energy Development Investments (JEDI), Yosemite Trust en Osprey Trust (ook bekend als Whitewing).
Tijdlijn
Aan het begin van de class-periode was Enron’s aandelenkoers de USD28 per aandeel. Halverwege 2000 was deze tot recordhoogte gestegen tot bijna USD90 per aandeel. De aandelenkoersen van Enron werden opgeblazen door de feitelijke verliezen voor aandeelhouders te verbergen met gebruik van de SPV's en door positieve verklaringen te verspreiden via verschillende persberichten (Enron Stock Issuance Price Trigger).
Zo kondigde Enron in een persbericht uitgegeven in juli 2000 bijvoorbeeld aan 'Sterk Kw2 00 inkomen. Handel bloeit – wint vaart. Winst boven verwachtingen, nooit beter geweest, zeer enthousiast over de toekomst”. Binnen de acht weken daarop hadden insiders bijna 1,3 miljoen aandelen verkocht voor USD108 miljoen; een paar maanden later was de aandelenkoers ingestort tot slechts USD0,03 per aandeel. In totaal verdienden 28 Enron directieleden meer dan USD1,2 miljard met misbruik van voorkennis.
Onze grafiek toont de dramatische stijging van de Enron aandelenkoers versus de peer-index. Alle belangrijke periodes waarin misbruik van voorkennis plaatsvond worden weergegeven met informatie over de hoeveelheid verhandelde aandelen samen met de ontvangen bedragen. De grafiek omvat ook een chronologie van de belangrijkste gebeurtenissen die van invloed waren op de aandelenkoers van Enron.
Conclusie
Op 25 mei 2006 werden Kenneth Lay (oprichter en voorzitter) en Jeffrey Skilling (CEO) door een jury schuldig bevonden aan fraude en samenzwering. Kenneth Lay stierf na een hartaanval op 5 juli 2006; zijn veroordeling werd nietig verklaard op 17 oktober 2006. Jeffrey Skilling werd op 23 oktober2006 veroordeeld tot 24 jaar en 4 maanden gevangenisstraf voor zijn aandeel in de ondergang van Enron.
In totaal werden 34 mensen door de Amerikaanse rechtbank vervolgd. 18 daarvan pleitten schuldig en werden veroordeeld tot een gecombineerd totaal van meer dan 84 jaar gevangenisstraf; er waren 4 veroordelingen door een jury; 2 vrijspraken; van 3 mensen werden de veroordelingen nietig verklaard; tegen 2 mensen werd geen proces gevoerd, en de laatste 5 wachten op een nieuw onderzoek.
Rechter Melinda Harmon van de Southern District-rechtbank in Texas verleende op maandag 8 September 2008 de uiteindelijke goedkeuring voor de voorgestelde uitkering van meer dan USD7.2 miljard . Op 19 december 2008 werd dit gedistribueerd onder in aanmerking komende aandeelhouders.


